Over het vermeende verband tussen genialiteit en waanzin wordt totaal verschillend gedacht.
De oudheid kent een lange traditie waarbij klakkeloos aangenomen werd dat uiterst geniale personen een bijzondere aanleg voor de ‘gekte’ hadden. In de twintigste eeuw begonnen onderzoekers ernstig aan deze veronderstelling te twijfelen. Tal van bevindingen toonden juist het tegendeel aan.
De Amerikaanse psychiater Charles Krauthammer stelt in een grondige literatuurstudie dat ‘men waarschijnlijk tot de conclusie dient te komen dat creativiteit vereist dan men bereid is, en de capaciteit heeft, om outside the box te denken; om nieuwe, onconventionele en zelfs zeer bizarre mogelijkheden te onderzoeken, om open te staan voor vreemde toevalligheden, om zich grote onwaarschijnlijkheden te verbeelden en om vergezochte mogelijkheden te overpeinzen.’
Omdat bepaalde symptomen van de waanzin gelijk opgaan met deze creatieve kenmerken, zal deze symptomathologie een duidelijk verband vertonen met creativiteit, oppert Krauthammer.
Maar wat is waanzin, gekte? In de optiek van de psychiatrie natuurlijk de bron waaruit de medische wetenschap altijd al geput heeft, ver voor dit specialisme opgang deed: ziekte. De essentie van ‘ziekte’ is het hanteren van de grondregel. Ziekte is afwijkend: koorts een verhoging van de normale lichaamstemperatuur.
Soms is ‘normaal’ redelijk gemakkelijk te ijken, soms meer en meer arbitrair. De gangbare, westerse geneeskunde is gestoeld op empirisme. Die wetenschapsfilosofie houdt strikt in: theorievorming, testen, falsificatie. Het experiment ter falsificatie speelt daarbinnen een crusiale rol. Het experiment moet reproduceerbaar, controleerbaar en eenduidig zijn. Voor de wetenschap betekent dat, dat het uitgangspunt de materie is. Voor geneeskunde, psychiatrie niet uitgezonderd, leidt dit automatisch tot een biologische benadering.
Depressie is dan het ontbreken, of onvoldoende aanwezig zijn van, bepaalde neurotransmittors. Die zijn met een supplement aan te vullen, met een pil. Zoals dopamine in het geval van de ziekte van Parkinson. De psychose — idem dito; met het verschil dat er juist een teveel van een bepaalde zenuwstof is. Maar in beide gevallen is de (psychische) ziekte een afwijking van het normale.
Nu heeft de geneeskunde spectaculaire resultaten behaald. Alleen — een gebroken been is iets anders dan een gebroken geest. De realiteit van de psychiatrische stoornis is dermate complex dat de medische specialist, hier: de psychiater met de rug tegen de muur staat. De patiënt, in zijn wanhopig lijden, schreeuwt om hulp en de arts heeft in feite, zeker op de korte termijn, enkel een arsenaal pillen ter beschikking. Pillen die, helaas maar waar, vaak afschuwelijke bijwerkingen hebben.
De psychiatrische praktijk is, vind ik, veelal ontluisterend. Om de psychose te onderdrukken is een moker nodig. Het ontdekken van het juiste middel is nog steeds een kwestie van trial-and-error; de arts heeft geen enkele garantie dat middel X ook bij patiënt Y werkt. Sterker: middel X kan eens gewerkt hebben, maar faalt later om, tot op heden, onverklaarbare redenen. Het verfijnen van het medicijnen arsenaal is een zenuwslopend werk dat slechts langzamerhand vruchten afwerpt. Gelukkig zijn de moderne neuroleptica minder mensonterend dan de pillen uit de oude doos.
Toch is die ontluistering volstrekt logisch. Een gebroken been is oneindig maal eenvoudiger dan een gebroken geest. Daar weten we eigenlijk nog bitter weinig over. De focus op het biologische model is daar mede debet aan. Men blijft in het laboratorium van de farmaceutische industrie minitieus sleutelen aan de effectiviteit van het preperaat, maar gaat daarbij bijna volledig voorbij aan de theorievorming — een wetenschappelijke en methodologische vereiste. Begrijpelijk omdat het leven zo complex is. Wellicht te complex voor de empirische wetenschap.
Waar binnen de dagelijkse gang van zaken in de geestelijke gezondheidszorg bijna geheel aan voorbij wordt gegaan is zingeving. Er lopen enkele zieleherders rond, van verschillende zuilen. Wat die op dat vlak toevoegen, is mij onduidelijk, want hoe brei je recht wat krom is. Om een positief antwoord te geven op de zin van lijden, is een mentale spagaat nodig die eenvoudigweg ontbreekt. Bijvoorbeeld, wat is in hemelsnaam de zin, filosofisch en/of spiritueel gezien, van het syndroom van Down? Realistische antwoorden zijn ontoereikend en wat rest is troost.
Toch, en bovenal, is zingeving een breekijzer in de te kale behandelpraktijk van psychiatrische patiënten. Zingeving kan iets zeggen over het hoe en waarom van de depressie, een uitleg geven aan het eeuwige ritueel van de dwang, de psychose en het verlies van de eigen verantwoordelijkheid als gevolg daarvan in perspectief plaatsen, het manipuleren van de ‘borderliner’ inzichtelijk maken in het licht van de ontwikkeling van de persoon.
Dat deze opstelling momenteel over het hoofd gezien wordt, is het gevolg van de bewustzijnsvernauwing en de adoratie, de ijdele hoop in en van de man of vrouw met de witte jas. Zingeving betekent een pas op de plaats en de erkenning dat de psychiatrie onvoldoende presteert.
(het merendeel van deze tekst is eerder gepubliceert in de jubileumuitgave van het Delta Schaaktoernooi)
Het voorgeleiden van Karadžić aan het internationale tribunaal in Den Haag moet de Serven toch uit hun eeuwigdurende slaap wekken. Want deze ‘held’ wil op geen enkele wijze rekenschap geven van zijn beleid ten tijde van Republika Srpska. Het gaat hem ad fundum alleen om zijn eigen hachje — c’est tout.
Ooit telde India zo veel gieren dat niemand de moeite nam ze te tellen — het zullen er tientallen miljoenen zijn geweest. Begin jaren negentig kwam de ommekeer. Drie soorten namen snel in aantal af. Wetenschappers dachten dat een virus of bacterie de boosdoener was, maar nee: het bleek om diclofenac te gaan. Deze ontstekingsremmer was kort ervoor toegelaten als diergeneesmiddel. Een runderkarkas bevat voldoende diclofenac om enkele gieren te doden. India zette daarop de productie van het middel stil, maar het wordt nog steeds veel ingevoerd. Nu er nog maar een paar duizend gieren over zijn, is de National History Society in Mumbai een fokprogramma begonnen. Een ander naar gevolg van de gierensterfte: verwilderde honden vinden steeds meer aas en vermenigvuldigen zich in snel tempo, met toenemende kans op rabiësbesmetting.
Mijn commentaar op de blog van Jeroen was gezouten, maar feitelijk en inhoudelijk. Kort gezegd kwamen mijn bezwaren hier op neer: de pot verwijt de ketel. Volgens de visie van de wielerjournalist heeft het management van het Rabo-team twee agenda’s — een publieke en een sneaky. De publieke heeft het over ‘de griep’ die Thomas Dekker tijdens een trainingsstage in de Pyreneeën opliep. Maar het onderhuidse gekonkel heeft het werkwoord ‘rasmussen’ in het hoofd, in de betekenis van Wielaert: lozen. Zou best kunnen. Maar Wielaert rept met geen woord over de gigantische vormcrisis die Thomas Dekker in de Ronde van Zwitserland, voor vele profs een ideale voorbereidingskoers, doormaakte. Dag in dag uit werd hij op vele minuten gereden. Bovendien heeft een miljoenenbedrijf als de Rabo-wielerploeg de noodzaak om voor de onbetwiste kopman Dennis Mentsjov, zonder meer één van de kanshebbers op de maillot jaune, het beste team af te vaardigen. Anders zou er sprake zijn van belabberde bedrijfsvoering, die de sportieve aspiraties van de sportman Mentsjov ook nog eens zou frustreren. Feit is dat Thomas Dekker op dat moment niet tot de beste negen coureurs van Rabo behoorde.

Eergisteren hing ik ergens rond middernacht aan de telefoon bij het monumentale radioprogramma ‘Met het oog op morgen’. Het was de bedoeling dat ik mee zou praten over de pianist Glenn Gould (1932 – 1982), die op 22-jarige leeftijd wereldberoemd werd met zijn vertolking van de Goldbergvariaties van Bach. In de studio zat regisseur Franz Marijnen, die een voorstelling over het leven van Gould heeft gemaakt. Het gesprek werd al snel verstoord door breaking news over het kamerdebat rondom Fitna. Daardoor kwam ik in een soort quatre-mains van feiten en meningen terecht; aan de ene kant was daar de bijna live uitgevochten ontmaskering van Wilders, aan de andere kant een dialoog over het leven van een muzikaal genie.