Door een stom toeval herinnerde ik me, vandaag in Zoetermeer, mijn bewondering voor de schrijver Nescio. Ontstaan op de HBS waar de ontwortelde leraar Nederlans zich een warm pleitbezorger toonde van de literatuur van de straat: Willem Elsschot, C.C.S. Crone en ook Nescio.
Arrie van Berkel was niet alleen leraar — nee, hij was de verbeelding van een generatie die definitief brak met het verleden. Na zijn scheiding, die openlijk in de klas besproken werd, neukte hij elke meid die voorhanden was. Ook dat werd breed uitgemeten. En Arrie zat in het weekeinde altijd in de kroeg, in ‘Onder de Drie Linden’, waar hij op gelijke voet met zijn door-de-weekse leerlingen het leven, de cultuur en de jazz-muziek besprak.
Voor ons, uit het lood geslagen pubers, was het van groot belang met Arrie geafficheerd te worden. In elk geval voor mij, en ik ontleende daar een zekere status aan. Slaafse navolging van helden was één van de manieren waarop ik mijn wankele identiteit vorm gaf.
Wat de leraar las, las ik ook. Wat de leraar goed vond, vond ik ook goed.
Dat is allemaal bijna veertig jaar geleden. Geen flauw idee wat er van Arrie van Berkel is geworden. Misschien heeft hij zich, zoals de zo door hem bewonderde Nescio, uiteindelijk geschikt in het leven van een burgerman. De idealen vergaan, over blijft het harde, liefdeloze bestaan van sex onder de douche. Ook Arrie wordt eens oud.
Denkend aan Nescio besloot ik zijn weinige boeken van zolder te halen en me weer onder te dompelen in de weemoed van de ondergaande zon aan Het IJ, met de kerktoren van Durgerdam op de achtergrond. Ik koos in eerste instantie voor de intieme verhalenbundel ‘Boven het Dal’ dat mij op de een of andere vreemde manier altijd meer heeft aangesproken dan zijn vermaarde vierluik ‘De Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, Mene Tekel’.
Gek, zelfs het olifantje op de achterkant van het boek is me lief. En zo vertrouwd. Over dit boek wilde ik eens een film maken — lang geleden toen ik de ambitie had naar de Filmacademie in Amsterdam te gaan.
Ja, de stad van Nescio. En ook niet. Veel wat Nescio beschrijft gaat over de onherroepelijkheid van de mokerslagen van het leven. Het uitgebluste, o zo fatsoenlijke bestaan vinden we in de stad, in keurige kantoorbanen, in huizen met sanseviëra’s voor de ramen, in uitgebluste huwelijken. Het pure, onbedorvene zit in de jeugd, de artiest, schilder, bohemiën en de natuur die schilder Bavink, uit Titaantjes, talloze malen tevergeefs probeert in haar essentie op het doek te vangen.
Het eerste, korte verhaal in Boven het Dal is nu, na al die jaren, verpletterend:
HET DAL DER PLICHTEN
Ik zit op de berg en kijk in het dal der plichten. Dat is dor, er is geen water, het dal is zonder bloemen en bomen. Er lopen veel mensen door elkaar. De meesten zijn wanstaltig en verwelkt en kijken voortdurend naar de grond. Enkelen kijken nu en dan op en dan schreeuwen zij. Na enige tijd sterven zij allen, toch zie ik niet dat hun aantal mindert, het dal ziet er steeds eender uit. Verdienen zij beter?
Ik rek mij uit en kijk op langs mijn armen naar de blauwe lucht.
Ik sta in het dal op een pleintje van zwarte sintels, bij een kleine stapel afbraakplanken en een onbruikbare wasketel. En ik kijk en zie mezelf zitten, daar boven, en ik jank als een hond in de nacht.