Met vrouwen heb ik nooit echt een gelukkige hand gehad.
Dat begon met mijn eerste vriendinnetje op de middelbare school. Ze zat, in elk lokaal, bijna altijd op dezelfde plaats — in het middelpad, vooraan, als eerste of tweede in de rij, op de linkerplek. Ook ik had zo mijn vaste stek. Schuin rechts achter haar.
Rietje Smit. Geen gezegende naam, maar daar stond ik toen niet bij stil. Zij was een frêle figuur, met donkerblond, lang steil haar. Er zat nauwelijks slag in. Haar neus en kin verraadden eigenlijk boekdelen: ze was pinnig en allesbehalve lief.
Maar, dat is het ‘m nu juist, bij vrouwen zie ik de realiteit pas achteraf.
Toen vond ik Rietje heel, heel bekoorlijk en deed, in mijn onzekere onbeholpenheid, van alles om bij haar in de smaak te vallen. Voornamelijk briefjes sturen, en bij haar vriendin vissen wat ze voor me voelde. Geen rechtstreeks contact. Dat was ook onmogelijk, want Rietje zag me niet staan. Overigens, min of meer geen enkele jongen in de klas — zij was zich zeer bewust hoe verliefd de hele meute op haar was en wilde het sprookje niet verstoren.
Wat ik mij heel goed herinner, is dat wij met elkaar ‘communiceerden’ door de namen van bands die we op onze tas — had toen de naam pukkel — kalkten. Ik was toch een buitenbeentje, want ik had er geen. Maar bij Rietje stond alles in het teken van de Bee Gees. Met die groep had ik ook niks; een stelletje veredelde kwijlkasten. De leadzanger, Barry Gibb, was wat Rietje in een man wilde zien. Hij had een getrimde baard, een loense oogopslag en een satijnen shirt. Nee, die eigenschappen bezat ik niet, of nog niet. En op die baard zou ik te lang moeten wachten.
De Bee Gees hadden in die tijd, eind jaren zestig, de ene hit na de andere. Onder meer: Words. Daar droop de zoetgevooistheid helemaal vanaf. Op klassefeestjes werd dat nummer altijd gedraaid. Ik bleef hopen met Rietje op Words te kunnen slijpen.
Eerlijk gezegd weet ik niet meer of het er eens van gekomen is. In ieder geval: deze liefde was geen milimeter diep.
En geen goed begin.