Kleine moed ‘hebben’ is moeilijker dan grote, moed.
Aan het einde van het wandelpad, daar waar de doorgaande weg is, staan twee jonge moeders — de kinderwagens pontificaal gestationeerd als bewijs van hun geslaagd vrouw-zijn. Er staan een man bij, die onhandig in een papieren zakdoek staat te snuiten. Hij neemt geen deel aan het gesprek, en kijkt nog eens nadenkend in het verkreukelde papieren doekje.
Hoewel ze mijn weg blokkeren, maken ze geen aanstalten om iets opzij te gaan. Ik vang op dat ze naschoolse opvang bespreken.
“Na schooltijd hoor je gewoon…” De rest sterft weg omdat ik me inmiddels langs hen heb gewurmd en een auto voorbij raast. Het is ook niet zo moeilijk te raden: na schooltijd hoor je er gewoon voor je kind te zijn.
Het is niet eens die constatering, maar eerder de hardheid ervan, het ontbreken van enige twijfel, dat me tegen de borst stuit. Uitgesproken als een bezwerende formule waarvan het waarheidsgehalte buiten kijf is. Uitgesproken wat een ieder in haar kring volhardend denkt. Uitgesproken als het zoveelste bewijs van een verpletterend wetend ego.
Het maakt me somber. Die gore zin blijft te lang hangen.
Grote moed: wanneer je kind dreigt te verdrinken, spring je in de sloot, de vijver of het meer. Een mens is tot veel meer in staat dan hij zelf voor mogelijk houdt.
Kleine moed: iets anders durven beweren dan de goegemeente die je dagelijks omringt. Om te lachen, uitlachen, om het inkapselende verschijnsel van managers. Daar wordt je op afgerekend, omdat niets erger is dan te breken met het laagje van civilisatie dat geen weerspraak duldt.