Gek zijn is kostbaar. Zeker als je je overlevert aan de psychiatrie.
De wetenschap van de stoornis van de geest is zelf goed ziek. Bovendien al heel lang. Dit medische specialisme mist een ziel, een onomwonden uitgangspunt, en daardoor: bezieling.
De bron van de psychiatrie zou, zoals alle ‘westerse’ kennis, de empirisch wetenschappelijke benadering moeten zijn. Zou, ja, want die ontbreekt. Binnen de reguliere wetenschap is het gangbaar om een theorie, zeg een voorlopig model van de werkelijkheid, op te stellen. Daarna volgt de fase van uitleg op grond van deze theorie. Tenslotte, ‘the proof of the pudding’: het experiment dat leidt tot –voorlopige– bevestiging of verwerping van de theorie.
Een goed voorbeeld is het atoommodel van de Deense natuurkundige Niels Bohr. Let op het woord ‘model’ achter atoom. Dit impliceert dat het postulaat slechts een benadering van de werkelijkheid is. Men kende in dit tijd, begin 20ste eeuw, het atoom helemaal niet. Niemand die het ooit met eigen ogen had gezien. In wezen is dat ook helemaal niet van belang; zolang het model de verschijnselen adequaat beschrijft of voorspelt, is het een prima uitgangspunt. Tot een nieuwe theorie geformuleerd wordt die erin slaagt ‘meer’ en ‘beter’ te voorspellen. Het moment voor Albert Einstein om de sceptor van Bohr over te nemen. Ad infinitum.
De fysica dankt haar reusachtige ontwikkeling aan deze methodologie.
De psychiatrie is een specialisme van de studie geneekunde. Die is ook, als kennisobject, geënt op de wetenschappelijke benadering. Andere opties vallen onder de categorie kwakzalvers. Een opvatting die ik van harte deel.
Maar… dan moet de wetenschappelijke methode wel uitgevoerd worden zoals die bedoeld is. Anders wordt het pseudo-wetenschap, of –in het slechtse geval — ook hocus-pocus.
De psychiatrie kent geen theorievorming. En daarmee heeft zij geen enkel fundament. Er is wel veel onderzoek, vooral op het gebied van de werking van medicijnen, maar dat komt neer op het paard achter de wagen spannen. Iedereen weet dat een verklaring ‘achteraf’ altijd gevonden wordt en dat de zwaarte daarvan valt in de orde van: het kan vriezen of het kan dooien. Dat soort bevindingen voegt bijna niets aan onze kennis toe.
Nog een voorbeeld, maar nu uit de praktijk van de psychiatrie: ECT. Beter bekend als de electroshock. De praktijk leert dat deze ‘therapie’ een behoorlijk probaat middel is bij ernstige depressies. Over de werking ervan, waarom de patiënt vaak opknapt, tast men echter geheel in het duister. Wel is in het tijdperk van computers snel een metafoor gevonden: het probleem van een vastlopende pc of mac (in essentie het gevolg van fouten in de software) is soms te verhelpen door de doos te rebooten — even de stroom uit en aan te zetten. Voilà.
Een uiterst vreemde zet, omdat ander onderzoek juist meer en meer aantoont dat psychiatrische stoornissen het produkt vormen van zeer geschakeerde, globale processen. Daarbij is die ‘uit/aan’ verklaring het kanon waarmee je de mug wil doden.
Maar goed, zoals gesteld, ECT is effectief. Daar is niets mis mee. Maar dat ontheft de behandelaars, de wetenschappers, nog niet van de ‘heilige’ plicht om te komen met een goede theorie en die tot op het bot te testen. Anders is het gevaar van uitwassen levensgroot aanwezig. Zoals het toepassen van de electroshock bij andere psychiatrische beelden — de dwang bijvoorbeeld. Wat in de praktijk het geval is.
Bovendien kan een theorie verklaren waarom de patiënt na een ECT vaak last heeft van een hinderlijke en invaliderende geheugenstoornis. Psychiaters zeggen dat dit van tijdelijke aard is, maar mijn ervaring is wis en waarschtig anders. En waarom het effect van de shock soms van voorbijgaande aard is. Met heeft zogenaamde ‘onderhoudsdoseringen’ nodig.
Vragen die beantwoord zouden kunnen worden. Zouden, ja, als de duur betaalde psychiaters hun bastion verlaten en zich meer, nederiger, aan wetenschap zouden wijden.