Ze stelde zich aan mij voor: “Dag. Ik ben doktor Zus en Zo.”
Daar stond ze, een jonge vrouw die stage loopt bij een huisartsenpraktijk. Over een jaartje of zo heeft ze haar specialisme op zak.
Ik verbaasde me over het benadrukken van de titel — die er eigenlijk geen is, want formeel gesproken is ze als basisarts ‘drs’, doctorandus. Daarom sprak ik haar er op aan, een beetje plagerig, omdat ik door een toeval haar leuke voornaam ken en ook weet uit welk boerendorp ze komt.
Doktor Zus en Zo was ‘not amused’. Geïrriteerd meldde ze dat deze wijze van presentatie ‘op school’ geleerd wordt.
Dus: nog steeds. Ik had toch beter moeten weten. De medische stand heeft zich de afgelopen eeuw verheven tot mythologische proporties. Die weldoeners die, meer en meer, beslissen over leven en dood. Werpen zij zich niet op als de natuurlijke tegenstrefers van de Man met de Zeis? En in onze tomeloze angst voor de dood zijn zij, de doktors, onze engelen geworden.
Ik stond paf van deze bombarie. Misschien maakte ik de inschattingsfout door aan te nemen dat mensen met een academische opleiding zelfstandig kunnen denken. En niet meer papagaaien wat hun stoffige docenten hun influisteren. Dat zij kunnen doorgronden dat hun patiënt het meest gebaat is, op de lange duur, met een gelijkwaardige verhouding. Eén, waarin de onzekerheid en kwetsbaarheid van dit beroep getoond mag worden. Zonder bij het eerste treffen moedwillig een afstand te scheppen die aangeeft dat ik een kluns ben en een medisch stuk onbenul.
Tuurlijk — het is een wisselwerking tussen onderzochte en onderzoeker. De patiënt die zijn sterfelijkheid niet aanvaardt en de arts op zijn granieten sokkel zet. En diezelfde arts in zijn niet aflatende behoefte aan aanzien, macht, geld en roem.
Ook dat is een roes om aan de onmacht te ontsnappen.