In 1975 bracht de Britse popgroep Supertramp de elpee — ja, dit was nog het tijdperk van het vinyl — ‘Crisis? What Crisis?’ uit.
Een begrijpelijk moment: we hadden kort daarvoor de eerste oliecrisis meegemaakt met die heerlijke autoloze zondagen. Den Uyl was nog aan de macht, broekie Jan Pronk, minister van Ontwikkelingssamenwerking, reed nog rond met een slok teveel op. In 1972 had de Club van Rome, een groep vooraanstaande wetenschappers, een rapport het licht doen zien, dat in Nederland ‘Grenzen aan de Groei’ genoemd werd.
Dit rapport schetste een onthutsend beeld over, onder meer, de milieucrisis die de wereld te wachten stond naast de uitputting van de natuurlijke grondstoffen. Het jaar daarna werd dit bevestigd doordat de oliekraan dicht ging.
Bovendien, in dat onheilspellende jaar van ‘75 kwam de Khmer Rouge aan de macht in Cambodja — de aanvang van de Killing Fields. En Amerikanen vluchtten hals over de kop uit Saigon omdat zij, toch, eindelijk, de oorlog in Vietnam hadden verloren.
Nederland verloor ook weer iets van zijn onschuld: Suriname werd zelstandig. Drugsbaron en legerleider Desi Bouterse zou spoedig stratego spelen.
Ruim dertig jaar verder lijkt het doorwrochte rapport van de Club van Rome een exercitie in egobuilding. Al die onheilsprofeten met sandalen en geitewollensokken, niets van waar.
En opeens, nu het opwarmen van de aarde steeds echtere vormen gaat aannemen, is het milieu wer heel hip. Sexy, zeggen we tegenwoordig. Je maakt als ondernemer goede sier met maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het liefst klimaat neutraal, met het aanplanten van bomen, in een ver land, bijvoorbeeld Uganda. Onze ruimte is schaars — daar willen wij in de toekomst graag nog enkele bedrijfsterreinen ‘projecteren’.
The game must go on. Our wheels must drive on. Profit.
Crisis? What crisis?