Teletekst presenteerde vorige week een bericht waarvan ik smulde. Want: niets is mooier dan de elegantie van een wiskundige formule. Zeker, helemaal, wanneer de premisse op een maatschappelijk vraagstuk van toepassing is. Lees mee.
Er staat: “In aandachtswijken ligt twee keer zo veel troep op straat.”
Wauw!
Dat betekent dat we nu eindelijk een onomstreden maatstaf hebben voor wat een zogenaamde ‘aandachtswijk’ is. Niet vier keer, of iets meer dan gangbaar, nee: er ligt twee maal zo veel rotzooi op straat.
Deze fantastische formule stemt ook tot nadenken. Bijvoorbeeld, bestaat er wel één en dezelfde aandachtswijk. Zijn er geen gradaties in ploerterigheid? En waar, in het verlengde van deze vraagstelling, ligt het ijkpunt. Wat is, met andere woorden, een ‘normale’ hoeveelheid troep? Moeten we daarvoor ergens in Wassenaar zijn of toch maar in het Zuidhollandse provincieplaatsje Hellevoetsluis, waar ik mijn dagen slijt.
Mijn ‘wauw’ klinkt allengs iets twijfelachtiger, iets zachter. Denk ik eindelijk een probaat middel gevonden te hebben waarmee ik Hollandse wijken onverbiddelijk in elkaar uitsluitende categorieën kan indelen, blijkt de formule aan alle kanten te rammelen. Dat zal Ellen Vogelaar, die minister die kutwijken wil opvijzelen tot ‘prachtwijken’ ook niet leuk vinden.
OK. We doen of we dom zijn. Ik ben benieuwd wat de formule over mijn wijk zegt. Ligt hier twee keer zo veel zwerfvuil? Aijai. Deze wijk in het vestingplaatsje Hellevoetsluis heet eigenlijk ‘De Kooistee’, maar het vuil dat door de bewoners op straat gekieperd is, wisselt eerlijk gezegd per straat. Toch lastig tellen.
Ik durf mijn ‘wauw’ nauwelijks meer uit te spreken. Ook schiet me te binnen dat ik eigenlijk helemaal geen onderzoek nodig heb om te weten dat het hier, de buurt die gevormd wordt door enkele straten, een bende is. Richting lokaal winkelcentrum wordt dat erger, grimmiger — daar zetelt immers een patatboer waarvan de klanten blijkbaar nooit van een prullenbak hebben gehoord. En de ’super’ levert veel liflafjes waarvan de verpakking linea recta op straat terecht komt.
Lang geleden ben ik opgehouden om me echt druk te maken over de troep op straat. Anders had ik al lang een hartverzakking gehad. Uit de voortuin ruim ik nog allerhande platsic op, veelal het gevolg van de vele tussendoortjes die de kinderen van hun ouders toegestopt krijgen. Daar klaag ik ook maar niet over, om niet te lijken op een reutelende bandrecorder die nog maar één melodie kent. Die voortuin, die is net te overzien.
De rest, de straat, de wijk, de plaats, het land — het doet pijn. Maar er zijn wel meer dingen die pijn doen.