Simple Reflections

april 5, 2008

Glenn Gould

Ingedeeld onder: Gedachten, Muziek — Andrew Tonneman @ 12:03 pm
Tags: , , , , ,

Een ‘aha-erlebnis’. Gelukkig sta ik niet alleen in mijn liefde voor Glenn Gould. Hij wordt op z’n minst gedeeld door de Utrechtse dichter Ingmar Heytze. En Heytze legt dezelfde accenten als ik: de muziek van Glenn Gould is van een hemelse schoonheid, die ‘gewoon’ geaccepteerd moet worden — niet kapot geanalyseerd door de drilboor van deze tijd: de psychiater of psycholoog. Want schoonheid is schoonheid, beter dan wat ook in staat te ontroeren en te genezen.

Het woord is aan Ingmar Heytze (column in dagblad De Dag):

Glenn GouldEergisteren hing ik ergens rond middernacht aan de telefoon bij het monumentale radioprogramma ‘Met het oog op morgen’. Het was de bedoeling dat ik mee zou praten over de pianist Glenn Gould (1932 – 1982), die op 22-jarige leeftijd wereldberoemd werd met zijn vertolking van de Goldbergvariaties van Bach. In de studio zat regisseur Franz Marijnen, die een voorstelling over het leven van Gould heeft gemaakt. Het gesprek werd al snel verstoord door breaking news over het kamerdebat rondom Fitna. Daardoor kwam ik in een soort quatre-mains van feiten en meningen terecht; aan de ene kant was daar de bijna live uitgevochten ontmaskering van Wilders, aan de andere kant een dialoog over het leven van een muzikaal genie.

In feite gingen beide gesprekken over hetzelfde: wat is er werkelijk gebeurd, en wat wordt er later van gemaakt?

De regisseur had de biografie van Gould vaardig uitgespit op persoonlijke eigenaardigheden. Dat zijn er nogal wat: de pianist was hypochondrisch, had vermoedelijk ook een vorm van autisme en stopte met het geven van concerten toen hij 32 was. Marijnen wil onderzoeken ‘waar de mensenschuwe excentriekeling en de geniale pianist elkaar ontmoeten en waar ze elkaar in de weg zaten.’

Toevallig houd ik hartstochtelijk van die geniale pianist. Daarom vind ik het een slecht idee om de mensenschuwe excentriekeling in theatervorm te psychologiseren: dat er iemand als Glenn Gould op deze aarde heeft rondgelopen is een wonder dat je intakt moet laten. Dat wilde ik uitleggen op de radio, maar er kwam een andere zonderling tussendoor: een belazerde politicus met een Mozartpruik.

Terwijl ik dit schrijf, luister ik naar de Goldbergvariaties uit 1955. Dat zou meneer Wilders ook eens moeten doen. Misschien beseft hij dan dat er mensen hebben geleefd die het niet als levensvervulling zagen om haatzaaiende pulp in de wereld te brengen, maar muziek die eeuwen na haar ontstaan — mits gespeeld door een excentrik genie — nog tot tranen toe kan ontroeren.

Bron: DAG van 3 april 2008

januari 28, 2008

Rap

Ingedeeld onder: Muziek — Andrew Tonneman @ 3:27 pm
Tags: , , , , , ,

Als je mij had gevraagd waarom ik, ongeveer 16 jaar oud, dagen naar Bob Dylan luisterde had ik je geen antwoord kunnen geven.

Dat was ‘gewoon’ zo. Dylan was ‘gewoon’ goed.

Zo gewoon is dat niet, besef ik nu. Het heeft heel lang geduurd voordat ik een eigen smaak ontwikkelde. En soms is die smaak, nog steeds en voor altijd, duidelijk gepenetreerd door de talloze uren dat ik trouw als een hond luisterde naar wat goed gevonden moest worden.

Er was wel een soort houvast. Ik profileerde me door niet naar Veronica of Radio Noordzee te luisteren. Dat was zo doorsnee. En doorsnee wilde ik niet zijn. Dus luisterde ik naar de VPRO, met name Jan Donkers en Wim Noordhoek. Of keek ik naar de documentaires van dezelfde omroep over het fenomeen Frank Zappa, die de stofzuigerslang op de tieten van groupies liet zuigen — hij klopt, hij veegt en hij zuigt.

Gelukkig was de muziekleraar op de middelbare school, een man met het uiterlijk van een gemakeerd klassiek componist, bijvoorbeeld Dvorak of Liszt, wel gecharmeerd van Zappa. Of hij op de hoogte was van die stofzuiger, weet ik niet. Ieder geval: een punt voor mij.

Later las ik muziekblad OOR. Ik moest me daar doorheen worstelen, want op de een of andere manier vond ik al die informatie, bol van superlatieven, zeer vermoeiend. Ook dat kan ik beter plaatsen: het ìs vermoeiend. Goed, de lijstjes aan het einde van het jaar waren van crusiaal belang: had ik er goed aan gedaan die LP van James Taylor te kopen die Jan Donkers keer op keer tegen middernacht had aangeprezen?

Op een gegeven moment is dit kaartenhuis als een plumpudding in elkaar gezakt. Ik kon gewoon het moordende tempo van OOR niet meer bolwerken. En toen ik eenmaal moest lossen, was het peleton met zeer rasse schreden uit het zicht.

Eigenlijk wel een opluchting.

Ik liet me naderhand meer leiden door wat vrienden begeesterde. Want ik verkeerde in de bevoorrechte positie om te gaan met de Zeeuw René de Dreu, die zijn passie voor bepaalde muzikanten zo volledig beleed, dat zijn toehoorders wel overstag moesten gaan. Ik deed dat graag. Het was tenminste muziek waarin de ‘beleving’ hoe dan ook centraal stond. Ik noem: Jerry Jeff Walker (René’s favoriete zanger ten tijde van zijn hopeloze verliefdheid op Mieke en onze reis naar Assisi, Italië), Brel, Lowell George, Bob Dylan — toch hij weer.

In september van het vorige jaar hoorde ik Glenn Gould. Jawel: bij de VPRO. Dat was geen compleet nieuwe ontdekking van J.S. Bach, want ik had al langer een voorliefde voor klassieke muziek. Sinds ik in de kathedraal van Salisbury de typische Engelse mismuziek gehoord had, maakte ik iedere week een tocht naar de platenbibliotheek voor Purcell en John Dowland. Maar de manier waarop Glenn Gould Bach speelt, maakt in één klap alles duidelijk. Daar is muziek voor bedoeld. Het is het palet van de hemel, plus het schreinende verlangen ernaar.

Buiten klinken staccato klanken uit een ghetto-blaster. De jongeren uit de straat hebben een luttele 100 meter verderop hun hangplek gemaakt van geleiderborden die een knik in het fietspad omzoomen. Zij luisteren naar rap. Wat vind ik dat lelijk. Ontdaan van iedere ziel, en mechanisch agressief. Zoals het normale, dagelijkse bestaan.

Zo moest mijn vader mij beleefd hebben, toen ik Blonde on Blonde tot de laatste groef grijs draaide.

Blog op Wordpress.com.